Onafscheidelijk

Als ik door het raam naar buiten kijk zie ik een groep jongens lachend wijzen naar de pineut in het goal die voorovergebogen zijn lot staat af te wachten. Er tovert zich een glimlach op mijn gezicht als ik terugdenk aan de spanning die het verliezen van een voetbalspelletje met zich meebrengt. Ik ben nooit goed geweest in voetbal maar vaak wist ik het slimmer aan te pakken dan de pineut.

‘’Weet je nog,’’ vraag ik terwijl ik mij naar hem omdraai, ‘’dat ik je altijd liet schrikken net voor je moest schieten zodat je huizenhoog overschoot? Ik zie je me nog steeds de huid vol schelden met die grote ogen en die kloppende ader op dat voorhoofd van je’’.

Jonathan ligt met gesloten ogen in bed en zegt niets. Zijn hoofd wordt ondersteund door een paar witte kussens die zijn moeder iedere dag controleert om zeker te zijn dat zijn nek goed wordt ondersteund. Hij is vandaag dertig geworden maar voor zijn moeder blijft hij altijd de jongen die ooit voorovergebogen in het goal zijn lot staat af te wachten. Ik loop naar de kruk naast zijn bed en kijk even naar hem, het maakt me rustig. Jonathan is nooit een prater geweest, ik moest op de middelbare school vaak contact leggen met het meisje dat hij zag zitten. Anders dan hij gaf ik weinig om de mee-eters die ieder moment een kernontploffing op mijn gezicht konden veroorzaken. Ik vertelde dat meisje dan dat er een jongen was dat dolgraag een keer met haar op stap zou willen maar dat het wel belangrijk was dat ze gelijk naar hem toe moest stappen en wees dan zijn richting op. Hij had zich verstopt achter een muurtje zodat hij kon zien wat er gebeurde zonder dat zij direct zicht op hem had. Ik wist dat Jonathan al rood zou worden bij het eerste woord dat ze uit zou spreken maar de paniek in zijn ogen was onbetaalbaar. Hij zou mij na het gesprek haten, en als ik te lang door zou lachen kreeg ik misschien een stomp, maar zodra datzelfde meisje aan het einde van de dag voorstelde om een ijsje te gaan eten dan zou hij mij in een sms vragen hoe ik het voor elkaar had gekregen. Misschien was dat ook de reden waarom we zo snel vrienden werden.

We zaten in de brugklas van het VWO bij elkaar in de klas. Terwijl ik met moeite voor alle vakken voldoendes haalde, had hij iedere periode de hoogste cijfers van de klas. Ik ben altijd slecht geweest in wiskunde en een lange tijd heb ik mezelf overtuigd dat dit kwam doordat de leraar mij niet mocht. Hij had me in de eerste les vooraan in de klas gezet omdat ik weer eens dacht naar mijn buurman gefluisterd te hebben dat de grootte van zijn gerimpelde neus niet eens te berekenen viel met de stelling van Pythagoras. Misschien achteraf ook niet gek dat ik de rest van het jaar geen vrienden met de beste man zou worden. Jonathan had zo’n stille lach die je alleen herkende door de onregelmatigheid van zijn ademen waardoor, als je je niet naar hem omdraaide, ook kon denken dat hij een toeval kreeg. Dit gebeurde namelijk elke keer wanneer hij zag dat mijn hoofd weer in mijn nek hing tijdens een repetitie en ik mij een keer omdraaide om te zien hoe zijn tranen over zijn wangen liepen. Hij was al lang en breed klaar terwijl ik mijn naam nog aan het opschrijven was. Met zijn beste acteertalent stootte hij dan een pen van zijn bureau en legde zijn antwoordenblad neer. Die toets haalde ik met een 9, mijn hoogste cijfer voor wiskunde ooit en waren we onafscheidelijk vanaf dat moment.

‘’Als hij mij niet naar voren had gehaald had ik nooit kunnen genieten van dat gezicht dat meneer Vermeulen trok,’’ zei ik lachend, ‘’hij voelde zich vast bij de neus genomen’’.

Jonathan‘s ogen zijn nog steeds gesloten. Zijn haar hangt langs zijn gezicht en de deken is opgetrokken tot zijn borst waardoor het witte ziekenhuis gewaad zichtbaar is. Terwijl ik naar hem kijk vraag ik me af waarom alle ziekenhuizen hetzelfde ruiken. Ik weet dat het te maken heeft met het schoonmaakmiddel dat de omgeving steriel maakt maar soms wil ik geloven dat het de parfum van de Dood is die men er aan herinnert dat je een lichaam slechts te leen hebt. Achter mij hoor ik de deur opengaan. Als ik over mijn schouder kijk stappen twee vrouwelijke dokters binnen. Ik draai mijn hoofd weer terug naar Jonathan en hef mezelf op van de kruk. Even is het stil. De voetstappen hoor ik dichterbij komen en voel de hand van een van de dokters op mijn schouder; ze knijpt er zacht in.

‘’Deze momenten zijn het zwaarst,’’ zegt ze en wacht een moment voor ze haar zin afmaakt, ’’heb je afscheid kunnen nemen?’’

‘’Hij is nooit echt een prater geweest’’, zeg ik terwijl de tranen mijn zicht vertroebelen, ’’bovendien zijn we onafscheidelijk dus ooit zie ik hem weer terug.’’

Laat een bericht achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *