Oog in oog

Ik hoor druppels vallen in een plas. Mijn ogen moet ik een aantal keer knipperen voor zij gewend zijn aan het felle licht. Afgebladderd verf kleurt de muren, de tl-buis flikkert. Mijn armen liggen roerloos op de leuningen van een stoel die is aangeschoven aan een metalen tafel. Het lijkt op de ruimte waar zij mij eerder hebben verhoord over de verdwijning van David, maar… Nee, dat is onmogelijk. Ze zullen die verrader nooit meer vinden; zij die de code breken hebben geen recht op leven, niet in onze wereld. Er komt geen beweging in mijn armen als ik ze op probeer te tillen. Ook mijn benen werken niet mee, maar nergens lijk ik vastgebonden te zitten. Wat hebben ze met me gedaan? Als het die Poolse klootzakken zijn dan… Maar dat is niet logisch. Vorige week hebben we met alle grote jongens om een tafel gezeten om een staakt-het-vuren te bespreken. We hebben handen geschud, een eed afgelegd. Alle hoofden knikten toen we zeiden dat rumoer zou leiden tot opvallen, opvallen leidt tot smerissen en smerissen zijn slecht voor iedereen zijn zaken. Als zij hun woord niet hebben gehouden zou dat de ontketening van een oorlog betekenen en daar zit niemand op te wachten. Maar wie is dit dan?

Ik hoor voetstappen achter me. Een sleutel wordt een aantal keer in het slot gedraaid tot de deur met een gierend geluid wordt geopend. De adrenaline giert door mijn lijf, maar ik krijg mijn hoofd niet gedraaid. Voetstappen komen dichterbij. Met hetzelfde geluid valt de deur terug in het slot. Verdomme, hoe ben ik hier beland? In mijn ooghoek zie ik een schaduw dichterbij komen. Met elke stap die hij zet versnelt mijn ademhaling en mijn hart lijkt uit mijn borstkas te willen springen tot ik eindelijk een glimp van hem krijg als hij mij passeert. Zijn donkere haar is strak naar achteren gekamd waardoor zijn bleke huid opvalt. Hij draagt een lange zwarte jas met daaronder een pak en lakschoenen waarmee hij zijn sigaret uittrapt voor hij plaatsneemt tegenover me. De stoelpoten schuren over de betonnen vloer als hij de rugleuning naar achteren trekt. Zijn helderblauwe ogen kijken mij star aan. Even zeggen we niets tot hij de stilte onderbreekt.

‘’Meneer Salo…’’

‘’Wie ben jij verdomme?’’. De zenuwen hebben plaats gemaakt voor woede al lijkt mijn onderbreking hem weinig te doen; zijn gezicht vertrekt geen spier.

‘’Meneer Salomons, klopt dat?’’.

Ik zwijg. Mijn ogen staan strak gericht op de zijne.

‘’U zult vast een hoop vragen hebben op het moment, vragen waar ik u een antwoord op verschuldigd zal moeten blijven. Mensen komen mij immers niet vaak tegen in deze omstandigheid. Blijkbaar is er een groter plan voor jou weggelegd’’

Zijn hand glijdt naar zijn borstzak en haalt er een pakje sigaretten uit. Hij stopt er een in zijn mond en kijkt me aan terwijl hij het aansteekt. Er vormt zich een rookwolk tussen ons.

‘’Kijk, meneer Salomons, u moet weten dat ik u in de gaten houd en weet wat u doet. Mannen zoals u, of beter gezegd, mannen met een rol in het leven zoals u kom ik vaker tegen. Geweld, geld, een oneerbiedig leven. Eerlijk gezegd interesseert het mij weinig wat u doet’’

Even pauzeert hij om een trek te nemen van zijn sigaret.

‘’Wat doe ik hier in hemelsnaam?’’, schreeuw ik naar hem. Ik voel het speeksel in mijn mondhoeken glijden. Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht.

’’Waarom bent u hier, dat is wat u zich zou moeten afvragen. Meneer Salomons, weet dat wat hierna gaat volgen slechts een enkeling overkomt en niet voor lief genomen dient te worden. De volgende keer dat u mij ontmoet zal uw laatste zijn, dat kan ik u beloven. Denk goed na over de stappen die u hierna zult volgen. Goed u te hebben ontmoet’’

Hij staat op en loopt richting de deur.

Zodra hij me passeert schreeuw ik hem na: ‘’Klootzak, wie ben je? Hoe durf je dit te doen en wat bedoel je met de volgende keer? Ik zorg dat ze je vinden en als ze je vinden ben je dood! Hoor je me? Ik maak je af!’’

Ik voel zijn hand op mijn rugleuning en met een ruk vlieg ik naar achteren. Ik verwacht de klap van het beton, maar het komt niet. Het wordt zwart voor mijn ogen en ik heb het gevoel dat ik blijf vallen alsof hij mij in één ruk de vergetelheid in heeft getrokken. Mijn armen zweven levenloos langs mijn lichaam en ik blijf maar vallen. Is dit het einde? Geen wit licht, geen tunnel. Slechts een vrije val in een zwarte diepte die nooit meer lijkt te eindigen. Ik zou in paniek moeten raken, maar zelfs dat lukt niet. Misschien is het de acceptatie dat een leven zoals ik die leid bestemd is om van korte duur te zijn. Misschien heb ik te lang mijn lot getart en is dit de straf voor het leed dat ik heb aangedaan. Misschien…

‘’Ik zag zijn vingers bewegen! Meneer Salomons hoort u mij? Beweeg uw hand als u mij hoort!’’

In de verte hoor ik een vrouwenstem mijn naam roepen. In gedachten geef ik antwoord, maar mijn lippen werken niet mee. Ik beweeg mijn vinger.

‘’Hij leeft nog! Snel, geef die spuit. Schiet op verdomme, geef die spuit!’’

Een schok van adrenaline knalt door mijn lichaam en ik schiet omhoog. Mijn ogen staan wijdverspreid en voor ik enig besef kan opbrengen waar ik ben val ik terug naar achteren. Het kussen vangt mijn hoofd op. Een blonde vrouw met een stethoscoop om haar nek kijkt mij ernstig aan. De sirene galmt door mijn hoofd heen. Ik probeer mij te bewegen.

‘’Meneer, u bent neergeschoten en u heeft veel bloed verloren. Blijf liggen, we zijn onderweg naar het ziekenhuis. Het is al een wonder dat u nog ademt!’’

Ik voel de schokken van de banden op het wegdek en mijn ogen staren naar het witstalen plafond van de auto. De echo van mijn ademhaling verdwijnt in de mondkap en langzaam voel ik mijn ogen zwaar worden.

Vandaag keek ik in de ogen van de Dood. Ze waren helderblauw.

Laat een bericht achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *